Tagarchief: Jos Lichtenberg

Goedkoop of meest economisch?

DSC_3695
Lees het gehele artikel

Ik schreef eerder in Gevelbouw. Soms over brandveiligheid van gevels, soms over innovatie in brede zin. Deze keer komen beide onderwerpen bij elkaar. Opdrachtgevers stellen namelijk nieuwe eisen en een onderwerp als brandveiligheid wordt net als andere aspecten die invloed hebben op de exploitatie, steeds vaker meegewogen. Zowel de aanbieder van gevelsystemen als de afnemer, eigenaar respectievelijk gebruiker kunnen daar hun voordeel mee doen.

Wat opvalt is dat professionele opdrachtgevers steeds meer naar levensduurkosten kijken. Niet alleen naar bouwkosten maar naar exploitatielasten in de gebruiksfase. Niet alleen naar Capex, maar ook naar Opex (bouwkosten versus operationele kosten). 

Klassiek bouwproces

Bij een klassiek bouwproces wordt er nog steeds vooral op prijs geselecteerd. De opdrachtgever laat een ontwerp maken waarbij voor realisatie op concurrentie een aannemer wordt geselecteerd. Eenmaal gegund, kan die zijn prijzen, waarvoor hij eerder een offerte liet maken als basis van zijn aanbieding, nog eens tegen het licht houden. Elke verlaging is immers een verhoging van zijn marge en geeft extra risicodekking. Als aanbieder voel je je opnieuw door de wringer gehaald, maar eigenlijk is het op basis van de context een volstrekt logisch proces. Dat het onder druk zetten van prijzen ook ten koste kan gaan van kwaliteit, is al vaak besproken en wordt ook wel herkend. Strikt genomen geldt de prijs op basis van vooraf gestelde minimumeisen, maar onder prijsdruk zijn aanbieder en afnemer nog wel eens bereid concessies te doen. Zeker als de winnende bouwer met de laagste prijs, nog steeds boven het budget van de opdrachtgever uitkomt en er bezuinigd moet worden.

EMVI

Steeds vaker zie je bij competities dat er een selectieproces wordt gedefinieerd waarbij de prijs niet het enige keuze criterium is. Met name aan duurzaamheid gerelateerde zaken zie je steeds vaker worden benoemd als een onderwerp, waarop punten kunnen worden gescoord, die bij de afweging voor een bepaald percentage meewegen. Op zich al reden voor gevelbouwers en toeleveranciers om hierop proposities met onderbouwing te ontwikkelen. Zeker als er ook exploitatievoordelen worden meegewogen, wordt dit de Economisch Meest Voordelige Inschrijving (EMVI) genoemd.

Lid van het bouwteam

Meer in het bijzonder wil ik in dit artikel benadrukken dat je als leverancier ook aan de voorkant met goede argumenten welkom bent om mee te denken. Wellicht over het programma van eisen met betrekking tot gevels. De gevelindustrie heeft veel kennis die waardevol is voor opdrachtgevers. Het maakt natuurlijk een enorm verschil of je wel of niet vroeg aan tafel zit. Wacht je met de armen over elkaar af tot een aannemer een prijsaanvraag doet op basis van enkele basale eisen waar vrijwel iedereen aan kan voldoen.   

Of ga je in een voorfase het gesprek aan met een opdrachtgever en/of zijn architect, waarbij je hem wijst op de keuzemogelijkheden en opties, de afwegingen die hij/zij kan maken. En waarbij de opdrachtgever veel bewuster een programma van eisen voor de gevel opstelt, of misschien wel jou als preferred supplier naar voren schuift. In een Slimbouwen omgeving, waarbij ikzelf als initiator actief ben geweest en waarvan inmiddels zo’n 150-200 gebouwen zijn gerealiseerd, is de gevelbouwer zelfs een voornaam lid van het bouwteam, dat het gehele project voorbereidt. 

Waarde

Voordelen in de gebruiksfase kunnen te maken hebben met aspecten die niet altijd kwantificeerbaar zijn. Een mooier gebouw wil iedereen wel, maar is lastig economisch te verdedigen. Toch is mooi heel goed verkoopbaar. Niet alles hoeft immers zakelijk onderbouwd te worden. De hele kunstwereld draait niet om kosten. Een mooi schilderij heeft aan inkoop en uren iets gekost, maar de verkoopprijs is daarop totaal niet gebaseerd. De waarde wordt bepaald door wat de klant er voor wil betalen en daaronder zit vooral veel sentiment en weinig zakelijke onderbouwing. 

Netto Contant

Er zijn heel veel onderwerpen te noemen, die in het geval van gevels vanuit een gunstige exploitatie wel netto contant zijn te maken. In dat kader past ook iets als Total Cost of Ownership (TCO). Dan gaat het over minder onderhoud of energiebesparing. Of over meer comfort en gezondheid waardoor het ziekteverzuim afneemt dan wel gebruikers gemiddeld beter presteren (hierop is al het nodige onderzoek verricht). En ook investeren in flexibiliteit (aanpasbaarheid) is enorm in belangstelling toegenomen. Voor dit artikel wil ik er een bijzonder onderwerp uitlichten, namelijk brandveiligheid.

Brandveiligheid

Gebouwen moeten voldoen aan brandveiligheidseisen. De gevel staat in het bijzonder in de spotlight omdat er de laatste jaren een aantal forse branden zijn geweest waarbij soms veel menselijk leed te betreuren viel en waarbij veel schade werd opgelopen. Waarbij een gevel een soort bypass vormde voor branduitbreiding ondanks de aanwezigheid van een op zich brandwerende vloer. Zo kan dan een brand die beperkt zou moeten blijven tot één verdieping, zich uitbreiden over meerdere verdiepingen met uiteraard veel meer leed en schade tot gevolg. Een gevel die wellicht beter presteert dan wat het bouwbesluit vereist en waarschijnlijk ook wel wat duurder is dan een standaard product, kan heel goed worden verantwoord indien daardoor leed en schade wordt voorkomen of gereduceerd.

Nu is het lang niet zeker dat je bij een gebouw ook daadwerkelijk met brand te maken gaat krijgen. Sterker nog, we denken allemaal dat het ons niet zal overkomen. Toch wijzen statistieken uit, dat de kans voelbaar is en hoe groter het project hoe groter ook de kans dat er ergens een calamiteit optreedt. Met een kans op schade cq. het verkleinen van risico’s kun je wel degelijk rekenen. Daartoe is ruim een jaar geleden een stichting opgericht (Stichting Economie van Brandveiligheid) die actief onderzoek uitvoert, om onderbouwingen voor economische afwegingen met betrekking tot brandveiligheid te genereren. Feit is dat je op veiligheid kunt ontwerpen en risico’s daarmee daadwerkelijk kunt verlagen en dat dit uiteraard exploitatievoordelen biedt. 

Laten we aannemen dat het om alleen materiële schade gaat. Wat je dan bij de analyse moet meewegen, is dat de schade vaak veel groter is dan vooraf wordt gedacht. We denken meestal wel aan de kosten van herstel van het gebouw en de inboedel, maar in het gebouw spelen zich processen af. Die ondervinden tijdelijk veel hinder of stagneren volledig. Klanten worden tijdelijk niet bediend en lopen weg naar concurrenten. De omgeving ondervindt hinder met evacuaties, verkeerscongestie. Soms leidt dat tot claims. De omgeving moet worden gereinigd, et cetera.

Uit voorbeelden blijkt dat je rekenend met waarschijnlijkheden van verschillende brandscenario’s en met een bijbehorende realistische omvang van schades een hogere investering in de gevel kunt rechtvaardigen. En om op het voorbeeld
van de afwegingen op basis van sentiment bij kunstaankopen terug te komen: veiligheid heeft ook een gevoelswaarde (letterlijk veiligheidsgevoel).

Schematische weergave van de bouwkolom. Traditioneel ziet de producent de gevelbouwer als klant, ziet de gevelbouwer op zijn beurt de hoofdaannemer als klant en deze laatste levert aan zijn klant namelijk de gebouwopdrachtgever. Steeds vaker gaan producenten om de aannemer, die kosten gestuurd opereert, heen. Zij brengen hun kennis in bij o.a. architecten, adviseurs en gebouwopdrachtgevers en promoten daarmee hun systemen. Deze schrijft materialen en producten dan wel hogere prestatie eisen voor, die via een architect in een bestek belanden, dan wel adviseert de architect de opdrachtgever hierop. En zo ben je in staat om de aankoopbeslissingen te beïnvloeden op een waarde propositie waarbij iedereen gelukkig wordt. Vaak niet de goedkoopste oplossing, maar wel een economische.

Wat betekent dit voor gevelbouwers en leveranciers?

In een klassiek bouwproces komt dit onderwerp niet gemakkelijk op tafel, maar als je als gevelbouwer of als leverancier van gevelcomponenten een overtuigende businesscase kunt presenteren, kun je nog voor het ontwerp gereed is, de opdrachtgever helpen om een bepaalde richting te kiezen. Zekerheid over de opdracht heb je vaak in dat stadium nog niet, maar je wordt wel een belangrijke kennisschakel en creëert veel goodwill waardoor de bouwpartners je graag het een en ander zullen gunnen. Bij een Slimbouwen proces is er overigens een regeling dat leveranciers in een vroeg stadium op basis van kennisinbreng en open begroting aan de voorkant al kunnen worden gecontracteerd. En bij die projecten is de opdrachtgever eigenlijk alleen maar geïnteresseerd in partijen die kennis meebrengen.

Voor de aanbiedende organisatie betekent het bovenstaande wel het een en ander. Veel bedrijven in de gevelbranche zijn vooral uitvoerend gericht. Engineering, maken en installeren. Bedrijven die een vooruitstrevende positie willen innemen, zoals in dit artikel bedoeld, moeten ook investeren in kennisopbouw en R&D en in mensen die in staat zijn om een integrale boodschap naar opdrachtgevers over te brengen. Daar moet je in investeren, maar de projecten waar dit speelt leveren ook marges op die dat rechtvaardigen. Sterker nog, er komen steeds meer projecten waarbij deze werkwijze de standaard zal zijn. En dan kun je maar beter in de kopgroep zitten.

Meer info?

Voor wie zich in deze marktbenadering wil verdiepen is het een mogelijkheid om aan te sluiten bij Living Lab 040 (www.livinglab040.nl), een platform dat zich naast heel veel innovatie gerelateerde onderwerpen ook over dit soort thema’s en nieuwe business modellen buigt. Voor wie in het specifieke voorbeeld met betrekking tot brandveiligheid is geïnteresseerd kan zich melden bij www.economievanbrandveiligheid.nl. Daar loopt gerelateerd aan het hierboven beschreven voorbeeld met betrekking tot ‘de economie van brandveiligheid’ een cursus, waarvan de inschrijving recent is geopend.

Jos Lichtenberg is emeritus Hoogleraar bouwinnovatie aan de TU/e, initiator van House of Tomorrow Today, van de beweging Slimbouwen en samen met Monique Donker van het Living Lab 040. Hij is tevens voorzitter van de Stichting Economie van Brandveiligheid.  

Op zoek naar de gevel van de toekomst

DSC_0017
Lees het gehele artikel

Het wordt eerder een revolutie dan een evolutie. Nu al zie je dat de overheid, al dan niet onder dwang/druk van Europa en milieugroeperingen, ingrijpt. Via BENG, MPG, CO2-doelstellingen, stikstof, PFAS, Wet Kwaliteitsborging Bouw, etc. Tijd dus voor iedereen om na te denken over zijn of haar positie. Blijven we afwachten? Veranderen we mee en passen we ons aan? Of zien we in de veranderingen ook kansen? Met dit artikel hoop ik u even uit de dagelijkse sleur te trekken en u uit te dagen om eens voor u zelf een toekomstbeeld te schetsen. Dat mag best afwijken van hetgeen ik hier schilder, maar belangrijk is om er van tijd tot tijd actief mee bezig te zijn.

Al-Bahar Towers met een aan de natuur ontleende responsieve façade (Bron: Proefschrift Seyed Morteza Hosseini / Al Bahr Towers, 2020).

Bij het nadenken over de gevel van de toekomst is het zinvol om in waarden of functies te denken. Een gevel wordt nu gezien als een scheiding tussen binnen en buiten. Deze moet onder andere warmte en geluid isoleren, moet de architectuur versterken, tegen weer en wind bestand zijn, moet brandwerend zijn en niet bijdragen in de uitbreiding van een brand. Tevens moet deze deels transparant zijn voor licht en zicht. Tot zo ver een kort programma van eisen. Wat in de praktijk opvalt is dat gevels statisch zijn. Zowel buiten- als binnenomstandigheden wisselen haast per uur, maar wat schetst de verbazing, de gevel is een star element ontworpen om 30-50 jaar of zelfs langer, één verzameling van vooraf bepaalde prestaties te leveren. Het openzetten van een raam of openschuiven van een roostertje vormen soms het enige ‘dynamische’ onderdeel van een gevel. De laatste decennia en zeker met de BENG norm, komen daar zonwering en eventueel geautomatiseerde ventilatie bij. 

Axonometrie Living Lab 040

Uitdagen

Om u uit te dagen stel ik maar eens hardop wat vragen:

Waarom speelt de gevel geen belangrijkere rol bij het klimatiseren van de binnenruimte? Waarom delegeren we die functie naar de installateur die daarvoor een ingewikkeld stelsel van kanalen en kabels aanlegt? We halen de lucht van het dak, terwijl diezelfde lucht ook gewoon aan de andere kant van de gevel zit? Waarom koelen we de warmte weg, die we net daarvoor via de gevel hebben toegelaten? Dat is niet efficiënt, toch? Die kanalen en kabels zitten bovendien uitermate in de weg bij het veranderen van plattegronden en hinderen dus de flexibiliteit.

Waarom leren we niet meer van de natuur? Waar bloemen en planten zich openen en sluiten als gevolg van buitenomstandigheden. Om licht binnen te laten of vocht vast te houden. Een zeer beweegbare gevel dus. Zie bijgaand voorbeeld of zoek maar eens op woorden als biomimicri of kinetische façades.

Waarom zouden we gevels op prominente plekken niet kunnen gebruiken om met de omgeving te communiceren? Geveldelen die samen met elkaar een groot scherm vormen waarop boodschappen kunnen worden uitgedragen. Wellicht alleen kwaliteits-PR zoals de foto’s en beelden bij Wetransfer. Aantrekkelijk voor gebouwen naast een spoorlijn, verkeersader of zelfs aanvliegroute.

Waarom heeft een gevel een vooraf ingestelde isolatiewaarde? Voor de winter is dat nog wel verdedigbaar, maar in de zomer gaat het vaak juist over het kwijtraken van warmte en zou je de gevel graag in een zomerstand willen zetten.

Waarom zijn gevels niet gemakkelijk uitwisselbaar? Levensduren van casco en gevels zijn immers niet gelijk en de vraag naar mutaties wordt steeds groter.

Denken in waarden

‘Wat kost dat dan wel niet?’ Hoor ik u denken. Zeker een belangrijke vraag, maar als we bereid zijn om de functionaliteit te vertalen in exploitatievoordelen ontstaat er ook een verdienmodel. Dan verleggen we de aandacht van kosten naar opbrengsten (waarden).

• Flexibiliteit laat zich uitbetalen bij mutaties of functieverandering. Je zult maar eigenaar zijn van een groot winkelpand of kantoorgebouw dat sinds coronatijd en met een groeiend marktaandeel van webshops en thuiswerken, geen huurder meer heeft.

• Gebouwen die onder alle omstandigheden een aantoonbare comfortverbetering en een gezonder binnenmilieu laten zien, leiden tot een hogere werkprestatie. In scholen is veel onderzoek gedaan naar de relatie tussen de luchtkwaliteit en leerprestaties en daar is dit verband al aangetoond.

• Gebouwen met een PR-opbrengstwaarde. Nu worden er reclamezuilen gebouwd met dit als enige doel. Voor gebouwen kan het een aantrekkelijke bijvangst zijn. Wist u bijvoorbeeld dat gebouwen op Times Square in New York, meer opbrengen per m2 gevel, dan per m2 vloeroppervlak? Daar is het verhuren van kantoorruimte al tot bijvangst verworden!

• Het kunnen terugleveren van tweedehands gevels is straks geld waard. Het nu reeds mee ontwerpen van de demontage, loont.

We moeten wat

Dit artikel is bedoeld om u als ontwerper, adviseur of producent uit te dagen. Enkele decennia geleden leek vandaag op gisteren en morgen op vandaag. We konden ons toen permitteren om wat achterover te leunen. Echter de wereld verandert op dit moment sneller dan ooit te voren. De klimaatverandering respectievelijk de klimaatafspraken dagen ons stevig uit. Materiaalschaarste dient zich aan. De gedurende de laatste 20 jaar stijgende prijzen voor hout, staal en aluminium maken ons bewust van schaarste en materiaalwaarde. Dat en nog veel meer veranderingen leiden tot circulaire gebouwen die straks bij mutaties demontabel en herbruikbaar zijn. Tevens gaan we nu over naar industriële bouwmethoden, de enige wijze waarop we onze jaarlijkse 75.000 – 100.000 woningen en andere bouwwerken kunnen realiseren.

Omdat we als bouw in feite dienstverleners zijn (u vraagt, wij draaien) zit het niet in ons DNA om strategisch voor te sorteren op waarschijnlijke veranderingen die de maatschappij respectievelijk de markt verlangt, zo niet afdwingt. We plooiden het altijd wel weer. Met de huidige snelheid en mate van vereiste verandering is dat echter niet meer voldoende. Bovendien houdt het plooien ergens op en komen we op een dood spoor. Kortom we moeten wat.

Proeftuin en innovatiedebat

Ik rapporteerde in de vorige editie over het Living Lab 040, een nieuwe proeftuin voor de BV Nederland, waar we het bouwen en verblijven van morgen gaan ontdekken. Ik zou u sowieso op de hoogte houden. Inmiddels zijn we bezig met de voorbereiding van de eerste experimenten. Ik kom daar nog op terug. Ik haal het LAB nu vooral aan om te melden dat we op het gebied van gevels nog betrekkelijk weinig disruptieve initiatieven zien. In elk geval niet in relatie tot de functionaliteit van de gevel en beweegbaarheid daarvan. Met sensoren en actuatoren, met beeldfuncties, specifieke beveiligingen, klimaatvoorzieningen. Ook met circulaire concepten waarbij de leverancier eigenaar blijft. Dat laatste is wel al onderdeel van enkele woonconcepten. Zo is Kloeckner-ODS actief met een ‘as a service’ concept. Zij stimuleren het gedachtengoed onder andere via Harvest Bay. En ook Velux (het hellend dak is toch ook een soort gevel) is actief. Niet eenzijdig gericht op het raam, maar op het binnenklimaat. Dit onder ander op basis van domotica en samenwerking met andere leveranciers van bijvoorbeeld natuurlijke ventilatie. Uiteraard omarmt Velux daarbij het gedachtengoed van Active House dat bij uitstek gaat over woonkwaliteit en duurzaamheid als waarde. Er zijn inmiddels diverse andere initiatieven, maar daarover een volgende keer meer.  

Voor nu wil ik u alleen maar uitdagen om eens na te denken over nieuwe gevelconcepten. Als u ermee aan de slag wilt en koploper wilt zijn, maar ook als u hierover in debat wilt, wilt sparren, meldt u dan bij het lab: WWW.LivingLab040.nl. Ik hoor graag jullie inbrengen en visies in het debat, zodat we samen ons toekomstbeeld kunnen aanscherpen.

Jos Lichtenberg

Jos Lichtenberg is emeritus Hoogleraar bouwinnovatie aan de TU/e, initiator van House of Tomorrow Today, van de Slimbouwen beweging en samen met Monique Donker van het Living Lab 040.  

Hoe starten met innovatie?

Jos_MG_0298-edit-HR 4 kopiëren
Lees het gehele artikel

Denk maar aan de vele innovaties met betrekking tot beglazing, de aangescherpte isolatienormen, de opname van installaties in gevels, de hoge geluidsprestaties in relatie tot ventilatieopeningen en speciale beglazingen, de intrede van PV in gevels, de verschuiving en diversificatie van materiaalgebruik, de toepassing van BIM, en zo kunnen we nog wel even doorgaan. 

Veranderen in hoog tempo

En wat belangrijker is, het houdt voorlopig zeker niet op. Sterker nog, de veranderingen gaan in een steeds hoger tempo gewoon door. Met betrekking tot de klimaatverandering staan we nog maar aan het begin van een enerverende uitdaging. Onderwerpen als circulariteit hebben al aandacht, maar gaat ons nog vele jaren bezig houden. ‘You ain’t seen nothing yet’. Actueel zijn vragen over hoe we onze gebouwen gaan koelen? Met nachtventilatie is dit duurzamer dan met actieve koeling. Dat geldt ook voor licht, dat net als ventilatie aansluit op de noodzaak om gezondere gebouwen te ontwikkelen. Veiligheid in relatie tot brand heb ik al een aantal keren in Gevelbouw behandeld en het belang daarvan in relatie tot gevels heeft de Grenfell-brand in Londen duidelijk gemaakt. En qua procesinnovatie zie ik de industrialisatie noodzaak als een onontkoombare uitdaging. We moeten wel! 

Met mijn Slimbouwen (zie kadertekst) propageer ik om die reden al jaren een splitsing tussen casco, omhulling, installaties en afbouw. En in de opsplitsing wordt met het woord omhulling al direct duidelijk dat de gevel een prominente rol speelt. Slimbouwen maakt off site productie mogelijk en ondersteunt ook circulariteit in hoge mate. Het is dus niet vreemd dat Slimbouwen steeds meer opgang maakt.

Meebewegen is onvermijdelijk

Waar het mij hier om gaat, is dat we samen de grote veranderingen aan moeten kunnen. Het bouwproces is daarbij versnipperd en iedereen moet in de verandering aan kunnen haken. Waar dat niet lukt, zal dat verschuivingen van rollen tot gevolg hebben. Latente bedreigingen zijn er voor iedereen. Voor architecten en aannemers is er minder werk als gebouwen als industriële producten tot stand worden gebracht. Of ontwikkelt zich de industrialisatie wellicht op een gedifferentieerde manier, met industriële casco’s en maatwerk gevels en afbouw? Voor de gevelbranche geldt, dat we ons over het marktvolume niet zo’n zorgen hoeven te maken. De uitdagingen voor de toekomst liggen hier naast de veranderende bouwtechniek in veiligheid en duurzaamheid, op de industriële productie, de integratie van installaties, de uitwerking en organisatie van circulariteit, nieuwe business cases zoals de ‘gevel as a service’. Allemaal grote onderwerpen, waarop eenieder zich kan voorbereiden. En ook moet voorbereiden, want niet meegaan is geen optie. We moeten wel meebewegen.

Slimbouwen maakt off site productie mogelijk en ondersteunt ook circulariteit in hoge mate.

Kennis

Om tijdig de slag te kunnen maken met de grote veranderingen, is het toverwoord ‘kennis’. Kennis doe je op via cursussen, door te lezen, door jong talent binnen te halen en vooral door met de trends en thema’s actief bezig te zijn. Regelmatig actief nadenken, deelnemen aan denktanks, congressen, etc. Dat is de eerste slag. Je bouwt aldus awareness op die de drijvende kracht gaat zijn, die je in de actiestand zal brengen. Maar kennis zorgt ook voor het inzicht in welke stappen je met je bedrijf zou moeten zetten. Het geeft richting aan je innovatieproject maar schept ook een beeld van de hindernissen die je te wachten staan. Daarmee vormt het de driver om vooral tijdig te beginnen met een verandering. En niet te wachten tot de nood al hoog is.

Veranderen is een proces

Veranderen is een proces op zich, dat over enkele jaren uitgesmeerd zal worden en waarbij de actie van vandaag mogelijk pas over een jaar of drie het beoogde effect sorteert. Ik heb het dan niet over een kleine aanpassing, maar over wezenlijke innovaties. Een technische aanpassing is in theorie snel te organiseren, maar als je een organisatie en zijn omgeving (een systeem) moet meekrijgen, vergt dat een procesaanpak inclusief het afleren van oude routines, het volgen van cursussen en trainingen, het doorvoeren van IT-aanpassingen, het wijzigen van de wijze van samenwerken met klanten en leveranciers, het maken en overwinnen van fouten, etc. En dan kan gelaten wachten duur komen te staan. 

Wat aan innovatie vooraf gaat

Nu heb ik in het verleden al vaker gepubliceerd over kansrijke innovatieprocessen. Een gestructureerde aanpak, zoals in de kadertekst kort beschreven, is daarbij de absolute basis voor een succesvol project. Daar heb ik onderzoek naar gedaan.

Het is zinvol om je goed op een innovatieproces voor te bereiden en ook de theoretische modellen tot je te nemen. Ik spar daarover vaak met ondernemers. Bijvoorbeeld over de doelen, de route, de investering in tijd en middelen, het genereren van ideeën, etc. 

Wat ik mij realiseer is dat het vanuit mijn gezichtspunt weliswaar over een grote groep bedrijven gaat, maar vanuit de markt gezien uiteindelijk over een minderheid. De meesten zijn zo ver nog niet. Dat is geen schande, maar realiteit. Zij maken pas plannen als het bewustzijn is ontstaan dat men in beweging moet komen. Het is niet effectief om diep op de ‘how en what’ in te gaan, als de ‘why’ niet is beantwoord.

Bouw aan een toekomstbeeld

Het devies is daarom om tijd vrij te maken voor het opbouwen van een toekomstbeeld. Probeer liefst verrijkt met een klankbord gevuld met buitenwereld een beeld te schetsen over de betekenis van aankomende technologie, de veranderende waardes bij afnemers en gebruikers (vaak niet dezelfde personen/bedrijven), over wat er vanuit de regelgeving op ons afkomt, welke trends van betekenis zijn, et cetera. Lees boeken hierover, snuffel op internet, volg de ontwikkelingen in de technologie en bij de relevante ministeries, etc. Soms kun je dat heel goed met andere bedrijven samen doen en zo’n fase kost afgezien van de bestede tijd, daarmee de kop ook niet. Ik organiseer samen met partners regelmatig awareness sessies en er zijn allerlei technieken om met een groep elkaar aanvullende ondernemers en de betrokken externen, een toekomstbeeld op te bouwen. Voor alles: begin met lezen over onderwerpen als de climate change, gezondheid, veiligheid, nieuwe verdienmodellen en financieringsvormen, etc. en put er inspiratie uit voor de eigen onderneming. En wellicht moet je de aandacht voor innovatie een beetje afdwingen, bij jezelf, bij collega’s, bij bedrijfsadviseurs. In dat geval kan een ingehuurde deskundige heel effectief zijn.

Hopelijk helpt dit ondernemers, ondernemingen, lezers om een laagdrempelig begin te maken met het zo noodzakelijke voorbereiden op de toekomst.  


Jos Lichtenberg
Em. Hoogleraar TU Eindhoven, Co-initiator Off Road Innovations, Voorzitter Slimbouwen, Voorzitter Houtsystemen


Gestructureerd innoveren

Een van de aspecten bij het structureren van een innovatieproces is een logisch stappenplan. Hieronder als voorbeeld een 6-fasenplan waarvan ik de basis al 40 jaar gebruik. Het plan heeft betrekking op een product- of dienst ontwikkeling, maar kan breder helpen om structuur in innovatieprocessen aan te brengen. Het plan kent zes fases, waarbij tussen elke fase een go/no-go beslismoment wordt ingebouwd. Tevens een point of no return. Binnen een fase mag je best een tijdje rondcirkelen, maar het is nadrukkelijk niet de bedoeling om terug te stappen naar een vorige fase. 


Slimbouwen

Slimbouwen is een procesinnovatie die een opstap vormt naar een industrieel proces. Daartoe wordt het proces opgeknipt in vier onderdelen te weten Casco, Omhulling (gevel+dak), Installaties en Afbouw. En wel op een zodanige wijze, dat deze stappen na elkaar (en niet door elkaar) uitgevoerd kunnen worden. In een traditioneel proces moet de installateur bijvoorbeeld vele malen terugkomen om het werk te kunnen realiseren. Slimbouwen voorziet in een bouwtechniek die faciliteert dat de installateur idealiter nog maar eenmaal op het werk komt en dan zijn hele installatie in een keer kan in-/aanbrengen. Omdat de technieken die dit mogelijk maken ook een fysieke scheiding van de vier onderdelen in de hand werkt, leiden Slimbouwenprojecten ook tot projecten die eenvoudig aanpasbaar zijn. En bij ‘end of life’ demonteerbaar zijn en waarbij onderdelen gesplitst kunnen worden als basis voor circulariteit.

Brandveiligheid bij renovatie van bewoonde gebouwen

naamloos-1-kopieren-3
Lees het gehele artikel

Er is meer dan ooit aandacht voor brandveiligheid. De brand in Grenfell Londen Tower heeft veel losgemaakt. Onder druk van de tweede kamer worden nu risicogebouwen in Nederland geïnventariseerd. Daarbij staat de gevel in het middelpunt van de belangstelling. Het gaat dus beter met de aandacht dan voorheen, maar is het genoeg? Het antwoord moet helaas nee zijn. Ik heb de afgelopen jaren op meerdere plaatsen mijn kritiek beschreven. De politiek komt traag op gang en we vertrouwen te klakkeloos op onze regelgeving. Als de regelgeving het goed vindt, dan zal het wel goed zijn. Helaas is de werkelijkheid genuanceerder.

En een nadeel van de commotie rondom woongebouwen groter dan 20m is dat het net lijkt alsof er verder geen problemen m.b.t. brand bestaan. Gebouwen onder 20 m zijn niet vanzelfsprekend wel veilig, samenkomstgebouwen zoals theaters, bioscopen, scholen, congrescentra zijn zeker geholpen met voorschriften, maar ook hier kunnen de mazen in de regelgeving en het gebrek aan handhaving op verleende vergunningen verstrekkende gevolgen hebben. En wat te denken van de toename van bedrijfspanden die gelukkig niet veel slachtoffers maken, maar wel heel veel indirecte en economische schade met zich meebrengt. Of in het geval van stallen heel veel dierenleed, daar dus weer wel slachtoffers.

Ik werk momenteel aan een artikel over de brandveiligheid bij het renoveren van woongebouwen terwijl deze bewoond blijven. Dat is iets waar we de komende 10-20 jaar veelvuldig mee zullen worden geconfronteerd. We gaan onze gebouwen immers energetisch fors aanpakken en dus gevels van een dikke winterjas voorzien. Als we het nu fout doen, doen we het grootschalig fout, maar ook tijdens de bouw zijn er verhoogde risico’s.

Aanleiding om nu een sneak preview te schrijven is een momenteel vanuit het ministerie van BZK lopende internet consultatie over een Wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Grofweg gaat de wijziging over het coördineren van veiligheid. Daaronder een onderdeel ‘Veiligheid verbouw ingebruik blijvend pand’. De vraag die daar wordt gesteld is: Heeft de bouw/verbouw inclusief tijdelijke hulpconstructies en bouwplaats-inrichting invloed op de brandveiligheid, de vluchtroutes, en de opstelplaatsen voor hulpdiensten in en om het in gebruik blijvende pand?

Het is een van de vijf vragen onderdeel van de zogeheten risico-matrix die zodra er een met ja wordt beantwoord, de vergunning plichtige een uitgebreidere risicomatrix moet invullen.

Ik zou haast, rondkijkend op bouwplaatsen, zeggen dat deze vraag standaard met ja beantwoord moet worden of zou moeten worden. Uitzonderingen bevestigen de regel.

Verbouwen op zich brengt al een aanzienlijk verhoogd risico met zich mee. Activiteiten als lassen, slijpen, solderen, aanbrengen van dakbedekking, verf afbranden vormen in combinatie met brandbare materialen een sterk verhoogd risico op het ontstaan van brand. Zeker omdat er ook druk op het werk staat. Door matig Nederlands sprekende bouwvakkers, worden instructies niet begrepen. Niet dat dat veel uitmaakt, want het ‘verplicht nummertje’ karakter zorgt ervoor dat eigenlijk niemand instructies leest. Je moet als bouwer al bijzondere aandacht vragen om dit bij medewerkers en onderaannemers binnen te laten komen. En dan nog gaat het niet vanzelf goed.

Daarnaast staan op het bouwterrein materialen in depot. Voorraden staan bij voorkeur kort bij het bouwwerk dat gerenoveerd wordt. Soms ook gedwongen door de krappe ruimte. Dat geldt ook voor afvalcontainers. En als die opslag brandbare materialen bevat is dat een duidelijk risico. Er wordt immers ook gerookt op de steiger en voor jongeren blijft vuurtje stoken een hardnekkig vermaak. Om maar niet te spreken over misstanden waarbij ook op de steiger te verwerken materiaal tijdelijk wordt opgeslagen (zie foto). Soms zit het gevaar in aan steigers aangebracht steigerdoek of materiaal dat tegen de gevel is verwerkt, waarbij de brandrisico’s pas afnemen als alles is afgewerkt. Het steigerdoek kan zelf brandbaar zijn en bijdragen in de branduitbreiding, maar het zorgt i.c.m. een niet afgewerkte gevel met brandbaar materiaal voor een spouw en daarmee bij brand aan een schoorsteeneffect (zie schematische doorsnede van een gebouw in de steigers).

Opslag op de steiger

 

Dan is er niet alleen een verhoogd ontstaansrisico, maar is er ook een vergroot risico vanwege het snel kunnen verspreiden van brand.

Een brand kan soms uren na ontsteking pas echt tot ontwikkeling komen. Een recent voorbeeld (april 2019) is de brand in de Notre Dame in Parijs, waar pas ca. twee uur na het stoppen van restauratie werkzaamheden alarm werd geslagen en er zich een brand aftekende.

Daarbij komt dat de vluchtwegen vaak gehinderd of belemmerd zijn. Opslag in gangen en portalen, trappen die tijdelijk zijn afgesloten, et cetera. Dan kan een brand zich niet alleen gemakkelijk verspreiden, maar wordt  bovendien de ontruiming ernstig vertraagd. Het zijn tevens niet allemaal vitale mensen die in deze gebouwen wonen. En vertraging werkt risico verhogend.

Ik ga er in mijn juni artikel dieper op in. Duidelijk is dat veiligheid op dergelijke bouwplaatsen veel aandacht vraagt en wellicht ook wel frequent extern toezicht.

https://www.internetconsultatie.nl/verzamelwijzigingbbl

Op de internetconsultatie kan nog worden gereageerd tot 21 maart 2020.


Jos Lichtenberg

Jos Lichtenberg was als hoogleraar verantwoordelijk voor bouwtechniek en onderzoek in dat domein. Hij is al vele jaren actief met bouwinnovatie o.a. via Off Road Innovations en verder is hij actief in relatie tot brandveiligheid. Als onderzoeker en als voorzitter van een platform over de economie van brandveiligheid.


“Incendie de Notre-Dame-de-Paris 15 avril 2019” van Remi Mathis is gelicentieerd onder CC 4.0

Wordt brandveiligheid bij hoogbouw wel serieus genomen?

jos_mg_0298-edit-hr-4-kopieren
Lees het gehele artikel

De aandacht voor brandveiligheid gaat in Nederland doorgaans niet verder dan ‘voldoen aan het bouwbesluit’. Daarmee zijn we echter onvoldoende beschermd. Het bouwbesluit geeft richting maar zeker geen garanties. Er zitten te veel zwakke plekken in onze regelgeving en de markt is weinig bereid en in staat om ontwerpen bovenwettelijk kritisch tegen het licht te houden. Brandoefeningen werken op de lachspieren en extra investeringen in veiligheid doen pijn, omdat ze dienen voor iets dat zich zeer waarschijnlijk nooit gaat voordoen. Maar is dat terecht? En hoe staat het er in Nederland eigenlijk voor? Daarover gaat dit kritische artikel, met een focus op gevels en woongebouwen.

Als je in een flatgebouw woont met 100 appartementen word je gemiddeld één keer per 25 jaar met een serieuze brand in een van de appartementen geconfronteerd. Als je je hele leven in zo’n gebouw woont gaat dat bij een gemiddelde levensverwachting van 82 jaar dus gemiddeld meer dan 3 keer gebeuren. Die kans lijkt gelet op recente statistieken te groeien, onder andere door de aanwezigheid van de vele opladers en accu’s. Bij brand is het de bedoeling dat deze zich beperkt tot één appartement (brand in een gebouw) en dat de brandweer in staat wordt gesteld om branduitbreiding naar buurappartementen (gebouw in brand) te voorkomen. Overigens hebben de buren rondom en de aangrenzende gangen, portalen, trappenhuizen, vrijwel altijd te maken met ernstige rookontwikkeling, worden ze geëvacueerd en beleven ze serieuze angstmomenten. Zeker voor minder mobiele senioren is dat ook buiten het in brand staande appartement, een aanmerkelijk risico.

Grenfell brand

Na de brand in Grenfell Building in Londen, nu ruim twee jaar geleden, nam het bewustzijn toe dat het helemaal niet vanzelfsprekend is dat een brand binnen één appartement blijft. In Londen was het de gevel die ervoor zorgde dat de brand zich razendsnel over nagenoeg het gehele gebouw kon verspreiden, met de welbekende dramatische afloop als resultaat.

Al kort na de ramp werd in Nederland de vraag gesteld of zich zoiets ook bij ons zou kunnen voordoen. “Laten we eerst het onderzoek in de UK afwachten,” zo was het voorstel van minister Ollongren. Maar dat onderzoek was een jaar na de ramp nog steeds niet afgerond. Enkele Kamerleden werden ongeduldig en onder de druk van hun aanhoudende kritische Kamervragen gaf de minister in november 2018 opdracht aan de Nederlandse gemeenten om een inventarisatie te maken van de voorraad risicovolle gebouwen. Op zich maar goed ook, want we zijn inmiddels weer een jaar verder en het Britse onderzoek zal nog wel enkele jaren voortduren. Er valt wel van tussenresultaten te leren. Nederland loopt daarbij overigens achter op de ons omringende landen als België, Frankrijk en natuurlijk het VK, waar inmiddels wezenlijke aanpassingen in de regelgeving zijn doorgevoerd. Zo zijn in het VK brandbare materialen in gevels boven de 18 meter nu uitgesloten. Bestaande gebouwen worden inmiddels grootschalig met overheidssteun aangepast.

Inventarisatie risicogebouwen

Ik sta nogal kritisch tegenover de in Nederland uitgevoerde, respectievelijk uit te voeren inventarisatie. In november 2018 werd de Nederlandse gemeenten gevraagd om een opgaaf te doen over de veiligheid van ‘hun’ slaapgebouwen. De inventarisatie beperkt zich tot woongebouwen of logiesgebouwen met een verblijfsgebied boven 20 meter en gebouwen met celfuncties, kinderopvang met bedden en zorggebouwen boven 13 meter. Mijn kritische houding is mede gebaseerd op signalen die ik bij gemeentes opvang, het nauwelijks kijken naar bewegingen in het buitenland, maar ook op ‘logisch redeneren’. Welke gemeente vindt het immers prettig om een groot aantal ‘risicovolle’ gebouwen te moeten rapporteren en vervolgens de eigenaren te confronteren met een enorme waardedaling en/of dwang om maatregelen te nemen?

De aansturing van de gemeenten is daarbij niet eenduidig. Er werd een door DGMR ontwikkelde inventarisatietool aangereikt, die leidt tot een beoordeling van een gebouw. In die tool speelt de aard en kwaliteit van de gevel een belangrijke rol. Met name buitengevelisolatie bestaande uit niet onbrandbaar isolatiemateriaal onder een stuclaag, dan wel geventileerde gevels met niet onbrandbare materialen worden in de tool doorslaggevend negatief beoordeeld. Ofschoon de tool degelijk oogt, zijn er toch enkele onderdelen die voor interpretatie vatbaar zijn. De beoordelaar wordt daarmee tot op zekere hoogte ruimte geboden om strafpunten al dan niet toe te kennen en daarmee om gebouwen als veilig (resultaat: groen of geel) of juist als risicovol (resultaat: oranje of rood) aan te merken. Daarmee is de uitkomst afhankelijk van of de beoordelaar de toets probleem-mijdend of probleem-zoekend uitvoert.[1]

De minister zou aanvankelijk vóór de afgelopen zomervakantie rapporteren, waarbij ik in de veronderstelling verkeerde dat er een lijst met t.a.v. brandveiligheid ‘verdachte’ gebouwen zou worden gepubliceerd. Onderzoek moet immers reproduceerbaar en verifieerbaar zijn. De praktijk was echter dat er eind augustus een rapport van Arcadis (in opdracht van het ministerie van BZK) verscheen, waarin kortweg stond dat de gemeenten het onderzoek pas net hadden opgestart en overwegend niet hadden afgerond. Dat vind ik opmerkelijk, omdat ik uit eigen ervaring kan stellen (zie hieronder) dat de inventarisatie binnen enkele weken uitvoerbaar is.

Eigen onderzoek

Om zelf gevoel te krijgen bij de inventarisatie en de te verwachten resultaten heb ik in mijn thuisstad Eindhoven samen met Off Road Innovations een inventarisatie uitgevoerd. Een aselecte steekproef van 79 gebouwen (ca. 25% van de voorraad die aan de functie- en hoogte-eisen voldoet) werd met streetview en waar nodig na een schouw ter plaatse beoordeeld (zo eenvoudig is het). Daaruit kwam het beeld dat iets meer dan 10% van de voorraad in deze groep als oranje of rood en dus als risicovol werd gekenmerkt. Daarmee zijn de gebouwen nog niet definitief onveilig, maar is in elk geval een diepgaander onderzoek noodzakelijk en/of moeten specifieke maatregelen worden genomen. Ik kwam in Eindhoven geëxtrapoleerd aldus tot ca. 35 risicogebouwen op een voorraad van 330 gebouwen. Als je dat doortrekt moeten er in Nederland (voorzichtig geschat) honderden zo niet meer dan duizend gebouwen zijn die door de tool als risicogebouw zullen worden aangewezen.

Bouwtradities en percentages hoogbouw, variëren per regio en stad, maar voor mij staat vast dat de inventarisaties per gemeente procentueel zelfs rekening houdend met een behoorlijke spreiding, in dezelfde orde van grootte moeten liggen. Een grotere gemeente zonder risicogebouwen lijkt statistisch zo goed als zeker uitgesloten. Overigens werd ik door een publicatie uit de gemeente Nijmegen gesterkt. Daar had men het huiswerk wel gedaan en zijn er 62 gebouwen als risicovol beoordeeld.[2]

Teleurstellende tussenrapportage

Het rapport van Arcadis in opdracht van de minister is een tussenrapportage. Mijn vermoeden dat de tool probleem-mijdend kan worden ingezet, wordt al duidelijk uit de eerste schaarse onderzoeksresultaten. Opmerkelijk is bijvoorbeeld dat onder de enkele vroege resultaten al grotere gemeentes zijn die rapporteren geen risicovolle gebouwen binnen hun gemeentegrenzen te hebben. Ook één gemeente overigens die 22 gebouwen in de categorie rood heeft gecategoriseerd. Gelet op mijn bovengenoemde ervaringen, vraagt dat om een nadere beschouwing over de gevolgde inventarisatiemethodologie alvorens (te bescheiden) conclusies te trekken. Het rapport geeft niet concreet aan om welke gemeente(n) het gaat, waaruit ik concludeer dat de minister ook niet van plan is om op dat niveau te gaan rapporteren. Dat is heel erg jammer, want daarmee is het onderzoek niet verifieerbaar en is het onderzoeksresultaat mede gelet op het bovenstaande bij voorbaat onbetrouwbaar.

Wat je daarmee tevens bereikt, is dat alle nog te realiseren nieuwbouw ook verkeerd wordt aangestuurd waarmee we onbedoeld veel latent onheil inbouwen. Dat geldt voor de ruim 500.000 nog na te isoleren hoogbouw appartementen, maar ook voor een tot 2040 circa gelijk aantal nieuw aan de voorraad toe te voegen nieuwbouw appartementen. De hoogbouwambities in Nederland boven 100 meter illustreren dat. Zie bijgaande figuur.

Conclusie

Als ik één conclusie mag trekken, dan is het wel dat ondanks dat de zorgen op basis van feiten toenemen, veiligheid blijvend niet serieus genomen lijkt te worden. Dat in tegenstelling tot wat er in andere landen gebeurt. De algehele laksheid leidt tot argwaan. Of is het een strategie om door vertraging de scherpte van de oppositie en de kritiek uit de markt te laten verstommen om uiteindelijk letterlijk en figuurlijk in de welbekende doofpot te eindigen?

Ik hou het in de gaten!

Jos Lichtenberg
Em. Hoogleraar TU Eindhoven,
Co-initiator Off Road Innovations
Voorzitter Slimbouwen


[1] Voor wie de tool wil gebruiken, kan terecht op de website van het ministerie van BZK
www.rijksoverheid.nl/brandveiligheidgevels. Daarvan zijn de tool alsmede gerelateerde documenten te downloaden.

[2] Dinter, Mac van (2019) De gevelplaat is nog altijd gevaarlijk De Volkskrant, 29 juli 2019