Producentenverantwoordelijkheid in de gevelbouw

Op weg naar een circulaire economie

Eind juni 2018 verscheen er een kamerbrief met een kabinetsreactie op de transitieagenda’s circulaire economie. Hierin staat dat het kabinet de invoering voor producentenverantwoordelijkheid gaat verkennen voor de gevelbouw. Waarom nu juist de gevelbouw? Tijdens de Marktdag van de VMRG op 13 september jl. gaf Mari van Dreumel, programmamanager bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), een presentatie om een en ander over dit onderwerp toe te lichten.

Mari’s ervaring met de circulaire economie is dat het een thema is waarin de markt en de overheid elkaar opzoeken en dat is een positieve ontwikkeling. Juist omdat de markt af en toe hulp nodig heeft om dingen van de grond te krijgen en de overheid er tegenwoordig steeds meer voor open staat.  Ondertussen zijn er jaarlijks al drie aardbollen aan grondstoffen nodig, dat is iets waar de overheid zich druk om maakt en dat is natuurlijk ook haar taak. Mari: “Het thema circulaire economie leeft heel erg in Den Haag. Vragen zoals: welke stappen zijn we nu aan het zetten, waar gaat het heen? Waar ontstaat ruimte of juist niet? Wat kost dat dan? En ja, wat moet je dan met woningbouw, wat moet je met utiliteitsbouw, renovatie en beheer? Renovatie wordt langzamerhand een groter item dan de nieuwbouw. Betekent dit dat we vinden dat we bestaande gebouwen slimmer gaan benutten?”

Transitieagenda
Het circulaire programma is onderverdeeld in een aantal sectoren en voor iedere sector is een transitieagenda gemaakt. Voor die transitieagenda was een grondstoffenakkoord nodig, dat met de grote partners in de maatschappij is gesloten, zoals VNO-NCW, de vakbeweging, Natuur en Milieu, de provincies, de gemeenten en de waterschappen. Er zijn zoveel mogelijk partijen gevraagd om hieraan mee te werken. Het grondstoffenakkoord is eigenlijk een toezegging van alle partijen in de samenleving om dit ingewikkelde vraagstuk samen op te pakken. De transitie naar een circulaire economie is namelijk een transitie die nog ergens in het begin zit. De klimaattransitie bijvoorbeeld is al veel verder doordacht en hierin is al veel duidelijker wat precies de doelen zijn en hoe dit aangepakt kan worden. Bij de circulaire economie is dat nog niet zo duidelijk. Een van de belangrijkste punten is echter dat partijen elkaar nodig hebben en daar is het grondstoffenakkoord zo belangrijk voor geweest. Het enthousiasme verzamelen, mobiliseren en dit enthousiasme ook vast weten te houden.

Uitvoeringsprogramma
Waar staan we nu? Mari: “We zijn nu in een stadium gekomen van wat meer actie. Twee jaar geleden is er een document geschreven ‘Nederland circulair in 2050’, toen kwam het grondstoffenakkoord, daarna de transitieagenda’s, recentelijk de kabinetsreactie op de agenda’s en nu gaan we naar het uitvoeringsprogramma. Er wordt stap voor stap bedacht en gekeken: wat gaan we nu doen? Het is eenvoudig om te zeggen dat je circulair wilt worden, maar dit moet ook verder uitgedacht worden.” In het uitvoeringsprogramma wordt door de overheid verteld wat ze zelf wil en gaat doen. Een ander belangrijk aspect is het inzamelen, opzoeken, mobiliseren en enthousiasmeren van andere partners om hun eigen initiatieven of hun eigen dingen daaraan vast te plakken. Mari: “Vanuit de gevelbouw is er een heel mooi initiatief gekomen met daarbij ook inbreng van andere partners en dat is precies waar de overheid naar op zoek is. Hoe kunnen we doelen aan elkaar koppelen? De markt heeft een duidelijk economisch doel en de overheid heeft een publiek doel. Nou, dan kunnen we elkaar best helpen, opzoeken en ondersteunen en zo kunnen we samen dingen verder brengen.”

Presentatie Mari van Dreumel op VMRG Marktdag.

Producenten-verantwoordelijkheid
Maar wat is nou precies producentenverantwoordelijkheid? Bij producentenverantwoordelijkheid blijft de producent van het product ook eigenaar van het product. Statiegeld is hier één van de bekendste voorbeelden van. Bij producentenverantwoordelijkheid zijn concrete SMART doelen belangrijk. Je moet ook als sector een doel hebben, bijvoorbeeld 80% recyclen van wat er zich in die markt bevindt. Vaak is er een branchevereniging of een koepel- of een sectororganisatie die dat organiserend vermogen realiseert. Er moet een voorziening zijn waarin partijen elkaar vertrouwen, maar dat moet ook georganiseerd zijn en dat systeem moet ook beheerd worden. En je hebt natuurlijk een eenduidigheid nodig voor de producent of voor de partij die de gevel assembleert. Wie is nou de eigenaar? Wie blijft de eigenaar? Wie kan ik aanspreken? Soms is daar ook een soort vergoedingssysteem voor nodig.

Wat heeft de overheid bewogen om producentenverantwoordelijkheid te gaan verkennen voor de gevelbouw? Mari: “Tijdens het maken van de transitieagenda, hebben we marktverkenning gedaan. We hebben gekeken waar de energie zit. Het voorstel dat de gevelbouwers hadden, sprong er gewoon uit. Om meerdere redenen hoor, maar onder andere omdat het een goed doordacht, gefaseerd plan is, er zit een duidelijk idee achter. Wat daarnaast ook wel heel belangrijk was, was dat het een sector- of brancheplan is. Wij merken dat je pas stappen kunt gaan zetten als de keten zich er achter zet, als een branche samen wil bewegen. Het voorstel dat er lag, dat was een echt sectorplan en dan maak je meters. Dan zet je ook wat neer. Het is iets dat de hele keten wil en dat is wel heel mooi. Dat was eigenlijk de belangrijkste reden dat dit plan er uit sprong voor ons.”

Om de producentenverantwoordelijkheid voor de gevelbouw op kunnen gaan zetten, is samenwerking nodig. Niet met de rug naar elkaar toe, maar in gesprek met elkaar. Je hebt draagvlak in de markt nodig, draagvlak bij partijen en daar moet duidelijkheid over komen. Elkaar opzoeken, in de ogen kijken en zeggen: ja, dit willen we met elkaar. En met de overheid. Mari: “Wij hebben de markt gevraagd, de markt heeft die uitdaging aangenomen en daar komen vast heel mooie dingen uit.”  

Uitgelichte afbeelding: Mari van Dreumel.